VerkeersbordenChili
101. Mistlichten vooraan
Mistlichten vooraan zijn laag gemonteerde voertuiglichten die de weg direct voor het voertuig beter verlichten wanneer het zicht wordt beperkt door mist, sneeuw of hevige regen. Hun lichtbundel is doorgaans breed en laag op het wegdek gericht.
Mistlichten vooraan mogen alleen worden gebruikt in de weersomstandigheden die volgens de lokale verkeersregels zijn toegestaan. Het zijn aanvullende lichten en ze mogen niet onnodig bij normaal zicht worden gebruikt.
102. Mistachterlichten
Mistachterlichten zijn felle rode lichten aan de achterzijde van een voertuig die het voertuig beter zichtbaar maken voor achteropkomende weggebruikers wanneer het zicht ernstig beperkt is. Ze zijn veel feller dan gewone achterlichten.
Omdat mistachterlichten bestuurders achter het voertuig kunnen verblinden of afleiden, mogen ze alleen worden gebruikt in de weersomstandigheden die volgens de lokale verkeersregels zijn toegestaan en moeten ze worden uitgeschakeld zodra het zicht verbetert.
103. Positielichten
Positielichten, ook stadslichten genoemd, zijn voertuiglichten met lage lichtsterkte die een voertuig zichtbaar maken en zijn aanwezigheid en ongeveer zijn breedte aangeven. In tegenstelling tot dimlicht of grootlicht zijn ze niet bedoeld om de weg voldoende te verlichten voor normaal rijden in het donker.
Positielichten worden vaak samen met andere voertuigverlichting gebruikt en kunnen ook worden gebruikt om een stilstaand of geparkeerd voertuig in het donker zichtbaar te maken. Wanneer ze verplicht zijn, hangt af van de nationale verkeersregels.
104. Richtingaanwijzers
Richtingaanwijzers, ook knipperlichten genoemd, zijn knipperende lichten waarmee een bestuurder aangeeft te willen afslaan of zijwaarts te bewegen, bijvoorbeeld bij het wisselen van rijstrook. Ze knipperen normaal aan de zijde waarheen het voertuig wil bewegen.
Richtingaanwijzers moeten vroeg genoeg worden ingeschakeld om andere weggebruikers nuttig te waarschuwen en na de manoeuvre worden uitgeschakeld. Richting aangeven verleent op zichzelf geen voorrang en maakt een onveilige manoeuvre niet toegestaan.
105. Alarmlichten
Alarmlichten, ook waarschuwingsknipperlichten genoemd, laten alle richtingaanwijzers van een voertuig tegelijk knipperen. Ze worden gebruikt om andere weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig of de verkeerssituatie een ongewoon of onmiddellijk gevaar vormt.
Alarmlichten kunnen geschikt zijn na pech, een botsing of om achteropkomend verkeer voor een plotseling gevaar te waarschuwen. Ze mogen normaal niet worden gebruikt als vervanging voor correct parkeren, richting aangeven of de vereiste voertuigverlichting.
106. Dashboardlampjes
Dashboardlampjes zijn verlichte symbolen en indicatoren op het instrumentenpaneel van een voertuig die informatie geven over de werking, systemen en mogelijke storingen van het voertuig. Ze kunnen functies aangeven zoals koplampen, richtingaanwijzers, brandstofniveau, motorconditie, bandenspanning, remsystemen en veiligheidsuitrusting.
Dashboardlampjes gebruiken vaak verschillende kleuren om de belangrijkheid aan te geven. Groen of blauw betekent meestal dat een systeem actief is, oranje of geel geeft doorgaans aan dat aandacht nodig kan zijn, en rood waarschuwt vaak voor een ernstige toestand die snel handelen vereist.
107. Fietsverlichting
Fietsverlichting omvat de lichten en reflectoren op een fiets die de fietser helpen zien en gezien worden, vooral in het donker of bij verminderd zicht. Welke uitrusting verplicht is en wanneer fietsverlichting moet worden gebruikt, verschilt per land; fietsers moeten daarom de toepasselijke lokale regels volgen.
108. Fietsbel
Een fietsbel is een klein geluidssignaal op een fiets, meestal aan het stuur, waarmee voetgangers, fietsers of andere weggebruikers zo nodig kunnen worden gewaarschuwd. De verplichting om een bel te hebben of te gebruiken verschilt per land en verkeersomgeving. Fietsers moeten de bel als waarschuwingsmiddel gebruiken zonder onnodige hinder te veroorzaken.
109. Lichtsignaal
Een lichtsignaal met de koplampen betekent dat een bestuurder de koplampen kort laat knipperen om de aandacht van een andere weggebruiker te trekken. Het toegestane gebruik en de betekenis verschillen per land en situatie; bestuurders mogen er daarom niet van uitgaan dat zo'n signaal voorrang verleent of een manoeuvre toestaat. Koplampen mogen niet zo worden gebruikt dat andere weggebruikers worden verblind of afgeleid.
110. Veiligheidsgordel
Een veiligheidsgordel is een beveiligingssysteem dat een inzittende tijdens krachtig remmen of een botsing stevig op zijn zitplaats houdt. Hij helpt het risico te verkleinen dat de inzittende tegen het interieur botst of uit het voertuig wordt geslingerd.
Een veiligheidsgordel moet strak over het lichaam lopen, met het heupgedeelte laag over de heupen en het schoudergedeelte over de borst. Hij mag niet gedraaid zijn, achter de rug worden gedragen of op een manier worden gebruikt die de beschermende werking vermindert.
111. Kinderbeveiligingssystemen
Kinderbeveiligingssystemen zijn veiligheidssystemen die kinderen in voertuigen beschermen. Hieronder vallen achterwaarts en voorwaarts gerichte kinderzitjes en verhogingszitjes die een kind volgens zijn grootte en de specificaties van het beveiligingssysteem positioneren en vasthouden.
Een kinderbeveiligingssysteem moet geschikt zijn voor het kind en het voertuig, volgens de instructies van de fabrikant worden geïnstalleerd en bij elke rit correct worden vastgemaakt. Een achterwaarts gericht systeem mag nooit voor een actieve frontairbag worden geplaatst.
112. Hoofdsteunen
Hoofdsteunen zijn veiligheidsvoorzieningen in voertuigen die de achterwaartse beweging van het hoofd ten opzichte van het lichaam tijdens een botsing beperken. Ze helpen het risico op letsel aan nek en nekwervelkolom te verminderen, vooral bij aanrijdingen van achteren.
Een verstelbare hoofdsteun moet zo worden geplaatst dat hij de achterkant van het hoofd ondersteunt in plaats van de nek en zo dicht mogelijk bij het hoofd staat. Bestuurders en passagiers moeten de hoofdsteun vóór vertrek aan hun lichaamslengte aanpassen.
113. Airbag
Een airbag is een veiligheidsvoorziening in een voertuig die bij bepaalde botsingen snel wordt opgeblazen om het risico te verkleinen dat een inzittende tegen het stuurwiel, dashboard, de deuren of andere delen van het voertuiginterieur botst. Voertuigen kunnen front-, zij-, gordijn- of andere soorten airbags hebben.
Airbags maken deel uit van een aanvullend beveiligingssysteem (SRS) en zijn ontworpen om samen met veiligheidsgordels te werken, niet om ze te vervangen. Inzittenden moeten correct zitten, hun veiligheidsgordel dragen en de instructies van de voertuigfabrikant over airbags en kinderbeveiligingssystemen volgen.
114. ABS
ABS (antiblokkeersysteem) is een actief veiligheidssysteem dat helpt voorkomen dat de wielen van een voertuig blokkeren bij krachtig remmen. Het past automatisch de remdruk op afzonderlijke wielen aan zodat deze voldoende blijven draaien om de bestuurbaarheid te behouden.
Wanneer ABS werkt, kan de bestuurder snelle pulsaties of trillingen in het rempedaal voelen. De bestuurder moet normaal stevige remdruk blijven uitoefenen en naar een veilige lijn blijven sturen in plaats van de rem herhaaldelijk los te laten en opnieuw in te drukken.
115. ESP
ESP (Electronic Stability Program), ook bekend als Electronic Stability Control (ESC), is een actief veiligheidssysteem dat helpt voorkomen dat een voertuig slipt of de richtingscontrole verliest. Het vergelijkt de door de bestuurder bedoelde richting met de werkelijke beweging van het voertuig en kan ingrijpen wanneer instabiliteit wordt vastgesteld.
ESP kan afzonderlijke wielen automatisch afremmen en, afhankelijk van het voertuig, het motorvermogen verminderen om het voertuig terug naar de bedoelde rijlijn te helpen. Het systeem werkt binnen de grenzen van de grip van de banden en kan een te hoge snelheid of zeer gladde omstandigheden niet compenseren.
116. Tractiecontrolesysteem
Het tractiecontrolesysteem (TCS) is een actief veiligheidssysteem dat helpt voorkomen dat aangedreven wielen bij het optrekken overmatig doorslippen. Wanneer het systeem verlies van grip detecteert, kan het het motorvermogen verminderen, een of meer wielen afremmen of beide combineren.
Tractiecontrole is vooral nuttig bij het optrekken op natte, ijzige, besneeuwde of losse ondergrond. Het helpt de beschikbare grip van de banden efficiënter te benutten, maar kan geen grip creëren waar nauwelijks of geen grip aanwezig is.
117. Helm
Een helm is beschermende hoofdbedekking die is ontworpen om het risico en de ernst van hoofdletsel bij een botsing of val te verminderen. Er bestaan verschillende soorten helmen voor motorfietsen, bromfietsen, fietsen en andere activiteiten, en daarvoor kunnen specifieke veiligheidsnormen gelden.
Of het dragen van een helm verplicht is, hangt af van het land, de voertuigcategorie, de gebruiker en soms de leeftijd. Een helm moet geschikt zijn voor het bedoelde gebruik, goed passen en stevig worden gedragen zodat hij de bescherming kan bieden waarvoor hij is ontworpen.
118. Fietshelm
Een fietshelm is beschermende hoofdbedekking die het risico en de ernst van hoofdletsel vermindert wanneer een fietser valt of bij een botsing betrokken raakt. Hij bestaat normaal uit een schokabsorberende binnenlaag, een buitenschaal en een bevestigingsriem die de helm stevig op het hoofd houdt.
Een fietshelm moet goed passen, horizontaal op het hoofd zitten en stevig zijn vastgemaakt. Een beschadigde helm moet worden vervangen omdat de beschermende werking kan zijn verminderd, zelfs wanneer de schade niet onmiddellijk zichtbaar is.
119. Handsfree
Handsfree betekent dat een telefoon of communicatiesysteem wordt gebruikt zonder het apparaat in de hand te houden. Handsfree bediening kan plaatsvinden via het ingebouwde systeem van het voertuig, een headset, oortjes, spraakbediening of een telefoon die in een geschikte houder is bevestigd.
Handsfree gebruik vermindert de noodzaak om een apparaat fysiek te bedienen, maar een gesprek of andere interactie kan de bestuurder nog steeds afleiden. Bestuurders moeten het gebruik van apparaten daarom beperken en hun aandacht op de weg houden.
120. Smartphone
Een smartphone is een mobiel elektronisch apparaat dat functies voor telefonie, berichten, internet, navigatie, camera en apps combineert. In het verkeer kan een smartphone nuttige functies bieden zoals navigatie of handsfree communicatie, maar ook aanzienlijke visuele, handmatige en mentale afleiding veroorzaken.
Bestuurders moeten vermijden een smartphone tijdens het rijden vast te houden of ernaar te kijken. Waar gebruik is toegestaan, moet het apparaat overeenkomstig de lokale verkeersregels worden geplaatst en bediend zonder de veilige controle over het voertuig te verstoren.
121. GPS
GPS (Global Positioning System) is een satellietgebaseerd positie- en navigatiesysteem waarmee een geschikt apparaat zijn locatie kan bepalen. In voertuigen kan GPS-navigatie positiegegevens combineren met digitale kaarten om routes te berekenen en visuele of gesproken aanwijzingen te geven.
Bestuurders stellen hun bestemming bij voorkeur vóór vertrek in en vermijden onnodige bediening van het navigatiesysteem tijdens het rijden. GPS-aanwijzingen zijn adviserend en mogen nooit worden gevolgd wanneer ze in strijd zijn met verkeersborden, verkeersregels of de werkelijke wegomstandigheden.
122. Rem
Een rem is een voertuigsysteem waarmee de snelheid wordt verminderd, het voertuig tot stilstand wordt gebracht of stilstaand wordt gehouden. De meeste wegvoertuigen gebruiken wrijvingsremmen aan de wielen, terwijl elektrische en hybride voertuigen ook regeneratief kunnen remmen om tijdens het vertragen energie terug te winnen.
Het remsysteem moet in goede staat blijven. Versleten remonderdelen, oververhitting, mechanische defecten of verminderde bandengrip kunnen de remweg vergroten en het vermogen van de bestuurder om het voertuig veilig te beheersen verminderen.
123. Handrem
Een handrem, doorgaans ook parkeerrem genoemd, is een remsysteem waarmee wordt voorkomen dat een stilstaand voertuig beweegt nadat het is geparkeerd. Traditionele systemen gebruiken een met de hand bediende hendel, terwijl moderne voertuigen een voetbediende of elektronische parkeerrem kunnen hebben.
De parkeerrem moet stevig worden aangetrokken wanneer het voertuig wordt geparkeerd, vooral op een helling. Ze werkt afzonderlijk van de normale bedrijfsrem zodat het voertuig ook stil kan blijven staan wanneer de bestuurder afwezig is.
124. Remvloeistof
Remvloeistof is een hydraulische vloeistof die in veel voertuigremmen de kracht van het rempedaal via het hydraulische systeem naar de remmen aan de wielen overbrengt. Ze moet hoge temperaturen kunnen weerstaan en geschikte hydraulische eigenschappen behouden voor betrouwbaar remmen.
Het niveau en de toestand van de remvloeistof moeten volgens de instructies van de voertuigfabrikant worden gecontroleerd. Alleen het voorgeschreven type remvloeistof mag worden gebruikt, omdat ongeschikte of vervuilde vloeistof de werking van het remsysteem kan aantasten.
125. Banden
Banden zijn de rubberen onderdelen rond de wielen van een voertuig die contact met de weg maken. Ze brengen rem-, aandrijf- en stuurkrachten over en spelen een belangrijke rol in de stabiliteit en wegligging van het voertuig.
Banden moeten voldoende profieldiepte en de juiste spanning hebben en mogen geen ernstige beschadiging of overmatige slijtage vertonen. Bestuurders moeten banden gebruiken die geschikt zijn voor het voertuig en hun toestand regelmatig controleren, vooral vóór lange ritten of rijden bij moeilijke weersomstandigheden.

Verkeersregels
Chili